Vorige Volgende

Bijengezondheid

De afgelopen jaren zijn er vaak berichten in de pers over de dramatische sterfte of verdwijning van bijenvolken, zowel in Nederland als elders in Europa en ook in de Verenigde Staten. Dit onderdeel van onze website gaat in op de achteruitgang en problemen van de honingbij, tipt ook de andere bestuivende insecten aan en geeft een overzicht van de belangrijkste oorzaken van bijensterfte en achteruitgang van bestuivers.
Bestuivende insecten staan de laatste decennia onder druk, wat blijkt uit afnemende soortenrijkdom en aantallen. Veel wilde bijensoorten staan als bedreigd op de Rode Lijst en worden zelden meer waargenomen. Onderzoek laat zien dat veel bestuivers en de daarvan voor bestuiving afhankelijke plantensoorten parallel zijn achteruitgegaan sinds de vijftiger en tachtiger jaren in Nederland en Engeland. Als belangrijkste oorzaken van de achteruitgang worden genoemd:
(1) habitatverlies en intensivering van de landbouw
(2) globalisering, die zorgt voor introductie van nieuwe (soms invasieve) soorten en pathogenen
(3) pesticidengebruik
(4) klimaatverandering

Voor de honingbij komt daar nog bij,
 
(5) wereldwijde aanwezigheid van de parasiet Varroa destructor (als gevolg van punt (2))
(6) introductie en verspreiding van andere (nieuwe) parasieten
(7) verminderde genetische diversiteit van de honingbij
(8) slechte verzorging honingbijen door imkers zelf
 
Achteruitgang van biodiversiteit.
Door de intensivering van de landbouw en door het in gebruik nemen van land voor stedenbouw,
industrieterreinen en wegen gaat het areaal waar bijen kunnen leven en foerageren achteruit. Maar bovendien wordt het gebruikte land steeds armer aan bloeiende planten. De achteruitgang is vooral sterk op het agrarische platteland. Hooiland (het bloemrijkste type grasland) bestaat niet meer en veel grasland is vervangen door akkers met snijmaïs. Graanakkers zijn compleet zonder bloemen. De naam ‘korenbloem’ is archaïsch geworden. Opmerkelijk is dat veel wilde bijen en ook honingbijen het beter doen in stedelijk gebied dan op het platteland. Voor honingbijen betekent deze achteruitgang dat het voedselpakket (stuifmeel) soortenarmer geworden is, maar ook dat er perioden zonder aanbod voorkomen. Bij gebrek aan voedselaanbod moet een volk op zijn reserves teren en zeker als dat in de nazomer gebeurt is dat een slechte opmaat naar de winter. De winter is de langste te overbruggen schrale periode voor bijen. Dat kost ze geen grote moeite mits de voorbereiding in de zomer goed was: steeds voldoende aanbod van goed voedsel en voldoende wintervoorraad.
 
Globalisering en introductie van exotische soorten.
De globalisering heeft in het verleden zijn tol al geëist door de introductie van de Varroamijt, maar in recente jaren blijkt ook de darmparasiet Nosema apis, een microsporidium, verdreven te worden door Nosema ceranae. Deze is net als de Varroamijt afkomstig van de Indische honingbij. De kleine bijenkastkever (Aethina tumida), afkomstig vanuit de zuidelijke helft van Afrika, is geïntroduceerd in Egypte, Noord- Amerika en Australië. Samen met de parasitaire mijt Tropilaelaps sp. is dit meteen ook de meest waarschijnlijke nieuwe erfenis van de globalisering voor de honingbij in Europa.
De grootste bedreiging voor de honingbij is zonder twijfel de Varroamijt Varroa destructor. Deze is afkomstig uit Azië en in de jaren ‘70 geïntroduceerd door als parasiet van de Indische honingbij (Apis
cerana) over te zijn gestapt op de Europese honingbij (Apis mellifera). Sinds zijn komst heeft de Varroamijt een verwoestend spoor getrokken door de bijenhouderij in Europa en Amerika. Alleen Australië is nog vrij van deze mijt. De Varroamijt plant zich voort op de poppen in het gesloten broed van de bijen. Als voedsel voor zichzelf en haar ‘gezin’ gebruikt ze de haemolymfe (het ‘bijenbloed’) van de poppen via een gebeten en steeds opengehouden wond. Ze verzwakt de bijen door de afname van eiwit direct, maar ook indirect door de verzwakking van het immuunsysteem en door overdracht van allerlei secundaire parasieten. Diverse virussen die vroeger amper voorkwamen en nooit symptomen gaven bij bijen, kunnen nu toeslaan in volken waar veel Varroamijten in zitten. Bovendien vermeerderen sommige virussen zowel in de mijt als in de bij. Sinds de komst van Varroamijt zijn in Europa en Noord- Amerika alle wilde honingbijenvolken uitgestorven. Bij imkers overleven de volken, omdat Varroamijten worden bestreden. Dat is nooit klaar en moet doorlopend gebeuren.
 
De bijenhouder.
De imker is echter niet alleen maar slachtoffer van de problemen, hij staat ook vaak aan het begin. Op nummer één staat het niet adequaat of soms ronduit slecht bestrijden van de Varroamijt. Dit leidt tot verzwakte volken en snelle leegloop van bijenvolken in de herfst. In Nederland blijken bijna alle verloren volken hierop terug te voeren, vaak nog gecombineerd met slordig en onhygiënisch imkeren. Ondanks verhalen over een epidemie of pandemie onder de bijen zijn er imkers genoeg die nooit last hebben van gestorven of verdwenen volken. Door het reizen met zwakke of niet-gezonde volken worden problemen snel over grote afstanden verplaatst. Verzwakte volken worden vaak snel ontdekt door de verkenners van gezonde volken, waarna ze worden beroofd. Daarmee stappen parasieten en ziekten moeiteloos over op de gezonde volken.
 
Versmalde genetische basis.
Naast de invloed op de bestrijding van de Varroamijt heeft de imker ook een rol in de versmalde genetische basis van de honingbij. Voor het varroamijttijdperk leefden bijna overal, naast de door imkers gehouden volken, wilde volken, in holle bomen, rotsspleten en dergelijke. Eigenlijk waren de gehouden en wilde volken gewoon onderdeel van een en dezelfde genetische pool. In Afrika en nu in Zuid Amerika is dat nog steeds zo. Het aandeel wilde volken is daar ook groter dan het deel bij de bijenhouders. Sinds de Varroamijt in Europa en Noord- Amerika de in het wild levende volken uitroeide is de honingbij als biologische wilde soort daar eigenlijk uitgestorven. Consequentie is echter wel dat de volledige genenpool nu in de handen van de imkers ligt. Het is de vraag of dat wel de beste plek is, vooral in landen waar de teelt van koninginnen in de handen van een klein aantal koninginnentelers ligt. In Nederland valt dat gelukkig mee, de meeste imkers telen door van eigen imkerij of laten het over aan de natuur.
De belangrijkste uitdaging is nu om zoveel mogelijk lokale ondersoorten en lokale populaties van de honingbij te beschermen en daarbij de genetische samenstelling aan de natuur over te laten. Dit is precies wat de imkerij tot dusverre juist niet heeft gedaan. Ze hebben koninginnen van ondersoorten van elders geïntroduceerd en streefden naar zoveel mogelijk voor de imker gunstige eigenschappen. Ondanks de aanvankelijke ondergang van wilde bijenvolken zijn de beste voorbeelden van selectie naar resistentie tegen de Varroamijt in de natuur te vinden: zowel in Noord-Amerika als in Frankrijk zijn populaties bijen in het wild gevonden die overleven ondanks Varroamijt, sommige volken al wel meer dan tien jaar. Er is dus hoop voor de honingbij.

Pesticiden: neonicotinen.
Allerlei pesticiden worden teruggevonden in de honing, de was en de stuifmeelvoorraden in honingbijenvolken. Dat pesticiden daarmee tot de verdachten behoren in de zaak rond de bijensterfte is
logisch. Vooral over de neonicotinen, een groep insecticiden met een analoge werking aan nicotine, maken veel mensen, waaronder imkers zich zorgen. Neonicotinen zijn ‘systemische’ middelen. Niet-systemische middelen werken doordat na spuiten insecten meteen met het gif in aanraking
komen of van de bespoten plant eten. Na een poosje zonlicht (breekt veel pesticiden af) of na een regenbuitje is de plant weer schoon en weer eetbaar. Systemische middelen werken anders: ze worden opgenomen door de plant en vervolgens via de sapstromen (in de houtvaten en bastvaten) door de hele plant vervoerd. Daardoor is de plant van binnenuit beschermd tegen vraat (net als de tabaksplant van nature) en voor lange tijd. Een groot voordeel is dat daardoor kan worden volstaan met heel weinig werkzame stof van de middelen, maar een nadeel kan zijn dat het lang werkt en ook in nectar en stuifmeel terecht komt. Neonicotinen werden inderdaad in honing- en stuifmeelvoorraden van bijen teruggevonden.
Dat de lage concentraties neonicotinen die terecht komen in de bijenvoedselketen uiteindelijk toch invloed zouden kunnen hebben (subletale doses kunnen wel schade doen zonder dat bijen er aan doodgaan) door invloed op gedrag (leervermogen) of immuuncapaciteit pleit ervoor om de vinger aan de pols te houden en subtielere toetsingsprotocols te ontwerpen. Momenteel heeft Europa tijdelijk het gebruik van een aantal neonicotinen verboden om beter inzicht te krijgen in de invloed van deze insecticiden op de de gezondheid van insecten.
 
De Bijenteelvereniging Zwolle e.o. probeert voor wat betreft de bijengezondheid zijn steentje bij te dragen. We beseffen maar al te goed dat het niet om 1 element uit de bovenstaande opsomming van oorzaken gaat, maar dat het de combinatie van (slechte) mogelijkheden is die er voor zorgt dat de bestuivende insecten het tegenwoordig zo moeilijk hebben. Daar waar we invloed uit kunnen oefenen zullen we dat doen. In ons geval betekent het dat we een zichtbare vereniging voor leden en niet-leden zijn, die gesprekspartner is op het gebied van biodiversiteit en die met zijn leden professionaliteit in de uitoefening van het ambt nastreeft.
 
Download hier het document over het herkennen en bestrijding van broedziekten.
Naar boven